Blog

Wees stil !

Nog 3 dagen en het is weer 4 mei. De Nationale Herdenking. Twee minuten stil om letterlijk stil te staan bij de mensen die het leven lieten in die verschrikkelijke oorlog 1940-1945. Er gaan steeds meer stemmen op om ermee op te houden. Te lang geleden, niet meer van deze tijd.

Voor de mensen die zich niks kunnen voorstellen bij het leed wat toen een deel van de wereld overspoelde heb ik een verhaal. Ik kreeg dit toegezonden door iemand die Auswitz heeft bezocht. Zij twijfelde om het te sturen ; ik heb al dagen een knoop in mijn maag en twijfel of ik dit moet plaatsen. Maar ik doe het toch …. Opdat wij niet vergeten ! Mocht dit verhaal jullie raken en verdriet doen, dan spijt me dat oprecht.

Augusta
In 1944 was ik 9 jaar. Ik woonde met mamma, m’n broertjes, Calo en Besso, en Kriepela (baby zusje) in een kleine woonwagen. M’n vader was al door de nazi’s opgepakt en weggevoerd, waarheen en waarom wisten we niet. Hij was al ruim een jaar weg. We zaten met z’n allen binnen toen er aan de deur werd geklopt. Mamma had net Kriepela aan de borst. Calo deed open en er stonden drie mannen met uniformen aan. Mamma stond op en vroeg wat dit te betekenen had. En één van die mannen pakte onze baby uit mamma’s armen en gooide haar in een hoek alsof het een stapel oude lappen was. “Mee komen naar buiten, en snel”, beval hij. Alle kostbaarheden moesten we meenemen, wat geld en natuurlijk ons goud. Mamma, die intussen bij Kriepela zat, werd bij haar haren uit de woonwagen getrokken. En God, ik zal het ze nooit vergeven, we mochten onze baby niet meenemen. We werden naar het politiebureau gebracht en geregistreerd, en er zaten al enkele Sinti daar. Mamma vertelde van Kriepela en er werd een plan gesmeed om haar op te halen. Een paar mannen verzamelden geld en sierraden en boden dat een politieagent aan. Calo mocht toen Kriepela gaan halen, maar hij moest wel voor de ochtend terug zijn. Toen we wakker werden, moesten we naar buiten en wachten. Toen we de trein in moesten die ons naar Westerbork zou brengen, hoorden we Calo roepen. Hij had Kriepela niet bij zich. Hij had een bericht gevonden dat een tante haar had meegenomen, en dat ze ondergedoken zat bij goeie Nederlanders.
In Westerbork werden de vrouwen en de mannen gescheiden en mamma moest gaan zitten en een mevrouw stond achter haar en die wou mijn mamma’s haar knippen. Ik vloog die vrouw aan en schreeuwde in het Romanes alle vieze woorden die ik kende, en schreeuwde en schopte. Toen werd alles zwart. Toen ik bijkwam zaten mamma en mijn broers bij me. We moesten allemaal in de treinwagon. De wagon was volgepropt, en de deuren werden vergrendeld. Van de reis herinner ik me niet veel meer. Het was warm en benauwd, en we hadden dorst en honger. We kwamen in het donker aan. De vrouwen en de mannen werden weer gescheiden en Besso gilde om zijn mamma. Calo nam hem in zijn armen en ging in de rij staan. We moesten in een houten barak, hartverscheurende taferelen speelden zich daar af. Dat was de laatste avond dat ik bij mamma was…De volgende dag moesten we in een vrachtwagen, en Calo was er ook bij, maar m’n broertje Besso niet. De volwassenen mochten ons uitzwaaien. In haar wanhoop om ons iets te geven, trok mamma haar sokken uit en rende naar ons toe en gaf ons ieder een sok. Een nazidie dat zag, sloeg mijn mamma met een geweer in haar rug, ze viel, o lieve god, waarom, waarom, en toen trapte hij haar tegen haar hoofd. Op dat moment ging de vrachtwagen rijden, en alle kinderen gilden. Er klommen zelfs kinderen uit de bak en die werden zomaar doodgeschoten. Wij zagen mamma daar liggen in het zand. Dat staat tot op de dag van vandaag op m’n netvlies gebrand. Ieder met een sok in onze handen, dat was wat ons was gebleven van onze moeder. Wij, Calo en ik en drie andere kinderen, werden in een dorp achtergelaten, bij een familie waar we gekapte bomen moesten bewerken om er treinbielzen van te maken, 12 tot 14 uur per dag. Ze behandelden ons als beesten. We werden ‘s ochtends uit ons bed geslagen en dan moesten we op appèl staan. Calo en twee andere jongens konden het niet langer verdragen en zijn gevlucht. Maar ze zijn niet ver gekomen.
Mijn baby zusje Kriepela en ik zijn alleen overgebleven van ons gezin. Mamma heeft zich samen met mijn broertje Besso in Auschwitztegen het stroomdraad geworpen, mijn broer Calo is in de nacht van 2 op 3 augustus 1944 vergast in Birkenau, en mijn vader is omgekomen in Sachsenhausen.


Je kan het je nu niet voorstellen dat zoiets nu zou gebeuren maar dat dachten ze toen ook. Er is maar 1 idioot nodig met een waanidee en charisma die in staat is om mensen te bespelen om een krankzinnige opvatting over mensen te laten wortelen in de samenleving.

Ik ben 2 minuten stil op 4 mei ? Jij toch ook ?

Zeg het maar !