Kamer 3

Ik loop de kamer in van mw en ik weet al voordat ik de deur van badkamer open dat er iets mis is. En dat klopt. Mw is gevallen en ligt op de vloer. Ik ren naar de kamer waar mijn collega bezig is om een mw uit bed te halen. We sprinten beide terug naar kamer 3.

We pakken een kussen om onder haar hoofd te schuiven en graaien een dekentje van de bank om over haar heen te leggen. De schade lijkt mee te vallen na een check-up. We tillen haar op de douchestoel en laten haar even bijkomen.

Ze is een kleine vrouw. Ik schat 1.55 meter. Ze is 88 en lijdt aan een vorm van Alzheimer. Ze woont nog niet zolang bij ons en probeert haar draai te vinden tussen iedereen. Ze is altijd bang om teveel te vragen en heeft nooit commentaar.

Je zou bijna zeggen dat je er wel 9 van op de afdeling kan hebben en toch maken we ons zorgen om haar. Toen ze binnenkwam was ze had ze het hoogste woord en was actief in de huiskamer. Een van de weinigen die goedemorgen roept tegen iedereen.

Tegenwoordig schuifelt ze met kleine stapjes en is ze stilletjes. Ze ziet wat grauw en eten wil maar niet lukken. De heilige vitale functiemetingen zijn allemaal goed behalve een schommelende bloedruk. We kunnen de vinger er niet opleggen maar dat er iets mis is is wel duidelijk.

Een paar dagen later help ik haar om op te staan en ik merk dat ze niet de kracht heeft om zichzelf aan te kleden. Ik breng haar naar de huiskamer in een rolstoel omdat ik zo inschat dat de 10 meter lopen niet gaat lukken.

Ik laat haar achter bij de woonleef-assistente en ga naar de volgende om steunkousen aan te doen. In die tijd gaat het mis met de mw van kamer 3. Ze is misselijk en haar kwart boterham komt er weer uit. Ze kermt van de pijn.

Mijn geweldige collega onderneemt actie en belt de arts. Ondertussen zit ik bij mw en hou haar hand vast. Ze wil wel even op bed liggen dus ik help haar. Eenmaal op bed wil ze er weer af want de pijn is niet te doen. En zelfs dan probeert ze nog een grapje te maken en noemt me een siepel.

Ik help haar weer op haar stoel en hoop dat de arts snel komt. Dit gaat niet goed. En ik merk dat het me raakt. We moeten wachten totdat de arts tijd heeft. In een huis met 99 bewoners, allemaal op leeftijd met ingewikkelde ziektebeelden, is het niet anders.

De arts belt terug. Ze schat in dat mw last heeft van brandend maagzuur (daar is mw bekend mee) en schrijft medicatie voor. We regelen dat we de medicatie krijgen en houden mw goed in de gaten. We duimen dat het gaat werken.

Alleen helpt het niet. Mw krijgt steeds meer pijn en we trekken weer aan de bel. Een uur later is de arts er en komt tot de conclusie dat het waarschijnlijk galstenen zijn. Ze krijgt morfine voorgeschreven. Een operatie gaat lastig worden op die leeftijd en de lichamelijke staat waarin mw verkeert.

De familie wordt gebeld en die middag zijn alle 3 dochters er. Onze dienst zit er bijna op en sta ik in de huiskamer terwijl mijn collega even naar een andere afdeling is. Een van de dochters komt even bij me staan en vraagt of haar moeder nog medicatie kan krijgen want de pijn wordt weer erger.

Ik zeg dat ik dat aan mijn collega doorgeef zodra ze terug is want ik mag nog geen paracetamol uitdelen. Ze staat nog wat te dralen en dan weet je dat ze nog even wat kwijt willen. “Zou er nog een operatie inzitten zuster? We weten dat ze aan het eind is van haar leven en we hebben er vrede mee hoor maar zou dat nog kunnen ? Een operatie ?”.

Ik zeg dat ik dat niet kan beoordelen. Dat dat aan de arts en de rest van het verpleegkundige team is. Wat ik wel kan beloven is dat we zo goed mogelijk voor haar zullen zorgen. En dat we onze uiterste best gaan doen om haar zo weinig mogelijk pijn te laten hebben.

Ik loop om kwart voor 4 de afdeling af. Mijn dienst zit er al een half uur op maar dat is allemaal niet belangrijk. Wat belangrijk is de mw op kamer 3 die me een siepel noemt. En ik hoop dat ze weer een beetje op mag knappen ….

Dit bericht is ook verschenen op Jet in de zorg op 1 februari 2024

Zeg het maar !